Een paar jaar geleden vond ik tijdens het dagelijks rondje met de hond een vogelhuisje langs het fietspad. Het was uit een boom gevallen. De gemeente had de volgelhuisjes opgehangen en dan gaat er wel eens wat mis. Het zijn heel solide vogelhuisjes, van zwaar hout, het wapen van Amsterdam, drie kruisen onder elkaar, zijn er ingebrand. Het is duidelijk alleen voor Amsterdamse vogels bestemd.
Als het vogelhuisje op mijn hoofd was gevallen, was ik waarschijnlijk dood geweest.
Mijn dood was waarschijnlijk een rel van epische proporties geworden, landelijk nieuws. Kamervragen. Onderzoek naar de veiligheid van vogelhuisjes. Wethouder stapt op. Sociale werkplaats waar de vogelhuisjes in elkaar getimmerd worden wordt gesloten. Persoonlijk drama voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Dat is allemaal niet gebeurd.
Ik ben nu een natuurliefhebber maar vroeger was ik een vandaal. Ik heb nog wel eens een nacht in de cel doorgebracht omdat ik een enorm verkeersbord uit de grond had gerukt. Het laagje volwassenheid is maar heel dun bij mij. Toen ik het vogelhuisje zag liggen wilde ik het meteen hebben. Mijn hart klopte in mijn keel toen ik met het vogelhuisje half verscholen onder mijn jas over straat liep, het is een enorm ding, waarschijnlijk bedoeld om de populatie gieren weer op peil te krijgen.
Ik woon in een veiligheidsrisico gebied, er is veel blauw op straat. Een witte man met een gemeentelijk vogelhuisje onder zijn jas moet precies zo behandeld worden als een zwarte man die zonder reden op een bankje zit. Ik mag hopen dat de politie daar heel goed van doordrongen is. In geen geval waande ik mij veilig.
Ik schatte in dat het onderzoek naar het vermiste huisje na 1,5 jaar wel in een la zou verdwijnen en heb het tot die tijd in de schuur verborgen.
Dit voorjaar spijkerde ik het aan de boom in de tuin. Eerst nog even op de website van de vogelbescherming gekeken om te ideale hoogte en richting te bepalen. Niet op het zuiden, opening gericht op het noordoosten.
Wat maakt het ook eigenlijk uit of het aan de boom in mijn tuin hangt of in een boom langs het fietspad een paar honderd meter verderop. Het gaat uiteindelijk om de vogels, ik ben een goed mens.
Het grote wachten kon beginnen. Vanuit mijn werkkamer heb ik goed zicht op het vogelhuisje. Ik kon er makkelijk een kwartier naar staren tijdens een videovergadering.
Er was zeker wel interesse vanuit de vogels. Vooral koolmezen verkenden het huisje. Dat was een beetje een teleurstelling. Ik heb niet het gevoel dat er per se een tekort is aan koolmeesjes in mijn buurt. Liever had ik gezien dat een vogeltje waarvan ik de naam niet ken een onderdak in het huisje gevonden had.
Maar goed, het was ook nog helemaal niet zeker of de koolmezen mijn huisje uiteindelijk zouden kiezen. Ik dacht eigenlijk van niet. Ik zal het toch wel niet helemaal goed opgehangen hebben, niet stabiel genoeg. Had ik het toch niet hoger moeten hangen?
Toen ik tijdens het typen van een email opeens een koolmees uit het huisje zag komen kon ik het haast niet geloven. Hoe bijzonder is het dat je een vogelhuisje ophangt en dat het dan meteen het eerste jaar raak is! Ik voelde mij uitverkoren. Hoe vaak zie je niet vogelhuisjes bij mensen hangen en dat je zeker weet dat het er alleen voor de sier hangt. De buren zullen wel denken: Die Thomas heeft er toch echt kijk op!
Er brak een tijd aan van groot plezier. Mijn werkkamer was nu nog meer een observatorium, werk was nu definitief een secundaire bezigheid. Het was een komen en gaan van koolmeesjes bij het vogelhuisje. Elke keer dat een vogeltje in- of uitvloog ging er een steek van geluk en trots door mijn hart. De mogelijkheid van een koolmezenplaag kon dit geluksgevoel niet onderdrukken.
Een paar weken geleden stond ik in de tuin onder het huisje en hoorde heel duidelijk het gepiep van baby vogeltjes. Ik appte gelijk naar mijn vriendin: ‘er zijn babytjes!’. Zij is de enige die dit op waarde kan schatten.
Na verloop van tijd zag ik wel dat het druk was voor de koolmeesouders. Het eten was niet aan te slepen, het gegil in het huisje werd steeds harder. De ouders haalde steeds meer vreemde capriolen uit om eten te zoeken. Ikzelf werd er ook onrustig van.
Dat kon natuurlijk niet al te lang duren en op een zekere ochtend hoorde ik dan ook hard geschreeuw in de tuin en zag een dik koolmeesje in het gras zitten. Onmiddellijk namen de zorgen het over. Een vogeltje op de grond is geen goed teken. Wat is mijn verantwoordelijkheid hierin? Het feit dat ik het huisje heb opgehangen, betekend dat ook dat ik medeverantwoordelijk ben voor het slagen van het opvoedingsproces? Ik heb in feite al ingegrepen in de natuur door een broedplek aan te wijzen, kan ik dan nu zeggen ‘zo is de natuur’ wanneer het mis gaat? Moet ik het vogeltje terug in het huisje zetten? Misschien is hij er wel opzettelijk uit gezet door zijn ouders of door zijn broertjes en zusjes omdat het een heel vervelend vogeltje is. De babyvogel zag er ook helemaal niet zo sympathiek uit. Het keek nogal chagrijnig uit zijn ogen.
Terwijl ik dit allemaal goed aan het overdenken was heb ik op mijn telefoon een filmpje gemaakt van het baby koolmeesje. Unieke beelden. Je kon heel dichtbij komen.
Ik ben even weggelopen om de deur open te maken voor een pakketje dat werd bezorgd.
Toen ik terugkwam in de tuin was het vogeltje weg. Ik zag wel onze kat zitten. Voor haar pootjes lagen wat veren.
Ik heb de opnamen op mijn telefoon nog niet teruggekeken. Het voelt super creepy om te kijken naar een babytje dat geen flauw idee heeft dat het 40 seconden later op afschuwelijke wijze uit het leven wordt gerukt.
Het nest is helemaal leeg. Het vogelhuis in mijn tuin is voor de koolmeesjes al met al een heel teleurstellende ervaring geworden. Ze zien mij zitten werken in de werkkamer, kijken met een afkeurende blik en denken: ‘Aan hem heb je helemaal niets’.